89
nieuwe vereeniging; tot hen behoorden o.a. Engelbrecht en J.D. Block. De
laatstgenoemde heeft een
Lauwer-krans
voor Krul geschreven. Het vers van
Tengnagel geeft ons verder nog eenige opheldering over de oprichting der
Musyk-kamer.
Sint Jacob en Oom Jacob zijn blijkbaar namen voor Jacob Block, die
het oneens was met de leden der Oude Kamer - de toespeling in ‘eene Schulp’
ontgaat mij - en geld stak in de nieuwe onderneming
1)
, waarvan het gebouw in de
buurt was van den Lomberd, gelegen aan de Oudezijds-Voorburgwal, Lomberdsteeg
en Nes. De inrichting heeft maar korten tijd bestaan en Block heeft er blijkbaar zijn
geld in laten zitten.
De ‘Voerman’ vervolgt:
‘Hadden die luy sulcken sotheyt
En haer peerden sulcken botheyt,
Hoe sal 't met mijn wagen gaen,
Daer maer Ezels trecken aen?
Maer dat wil ick wel bekennen,
Dat mijn Wagen niet sal rennen,
Want hy is van Camper-hout
Al te groot en swaer gebout,
En met kalck en steen geladen,
Sonder rollen, sonder raden;
Soo men ergens rollen vont,
Die staen opwaerts in de gront
2)
.
Dus en hoef ick niet te duchten
Om het hollen, maer ick suchte,
Dat mijn Ezels g'lijckerhandt
Sullen met haer onverstandt,
Daer geen reden is te scherpen,
Al mijn Wagen ommewerpen,
En als 't onderst boven leyt,
1) Hij komt niet voor in het
Kohier van den tweehonderdsten penning voor Amsterdam en
onderhoorige plaatsen over
1631,
uitgegeven vanwege het Koninklijk Oudheidkundig
Genootschap te Amsterdam
,
door
J.G. Frederiks
en
P.J. Frederiks,
Amsterdam
,
Ten Brink
en De Vries
, 1890, maar is misschien dezelfde als de daar (blz. 26) genoemde Blocken, die
op den Zeedijk woonde en wiens vermogen op ƒ 12.000 werd geschat.
2) De heipalen.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce