274
enz. vinden we bij Jan van Leeuwen terug. Maar ook in de neiging om nieuwe
woorden te vormen sluit hij zich, soms met een zekere onmatigheid, bij de meester
aan. Wanneer Ruusbroec spreekt van
onthogen
, dan zegt zijn leerling: ‘Want God
is
onthogende
,
ontbreidende
,
ontdiepende
ende oec
ontwidende
alle ghescapene
verstannissen’ (Hs. 667, fol. 85
b
). Naast
alheit
, dat ook Ruusbroec kent
1)
, vinden
we bij hem:
godesheit
,
selfheit
,
sijnsheit
,
mijnsheit
,
haersheit
en
onsheit.
Met het
praefix
in
vormt hij woorden, die tot nu toe niet opgetekend werden:
inbitter
,
inclaer
,
ingherecht
,
inscaerp.
Naast
grontoetmoedich
gaat hij woorden gebruiken als
grontgierich
en
grontonderworpen
, die in het Woordenboek ontbreken. Onder de
suffixen heeft deze schrijver een voorkeur voor -
achtig
, blijkens de niet in het
Woordenboek vermelde:
kintsachtich
(= kintschelijc),
inwoenachtich
,
diefachtich
,
dwaesachtich
, (var.
dwaelachtich
),
ra
(
e
)
sachtich.
Dit behoeven niet alle individuele
vormingen te zijn: het kan een toeval zijn, dat ze nog niet, of alleen in enigszins
afwijkende vorm werden opgetekend. Dat geldt ook voor afleidingen als
nawandelinge
(
nawanderen
was bekend),
inhebbinge
,
moordech
(naast:
moordersch
),
eencrighelicheit
(naast:
eencregelheit
),
plompelijc
,
eenpaerlinghe
(naast:
eenpaerlike
2)
.
Neologismen daarentegen zijn waarschijnlik de volgende woorden:
beherten
(naast:
behertigen
),
doerwortelt
,
gevoelsamheit
,
letsamheit
,
onbelidere
,
onderknecht
(naar analogie van woorden als
onderclerc
,
ondercoc
,
ondermeester
),
overswonge
(vgl. het bijw.
overswenge
),
stuermoedicheit
(naast
stuerheit
uit Ruusbroec bekend),
vergeesten
,
verladenisse
van herten (vgl.
verlatenisse
en
verladinge
),
voersetticheiden
,
wedersoeken
,
wissel omme wederwissel
,
wederstrevelijc.
Met een ongewone betekenis worden gebruikt:
binnenbliven
(in mystieke zin)
daerme
(= hart; vgl.
inadere
, dat dezelfde
1) Bij Ruusbroec vinden we ook: brootheit.
2) Onder de samenstellingen die in het Woordenboek nog niet opgetekend zijn, noteerde ik:
banvierte
,
brootbagaert
,
brootganc
(znw.),
hoensei
,
huusclappinghe
,
lijftochtgoet
,
penninc-preker
,
medetaveerne
,
rammelbeenderen
,
wandelgheselle.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce