189
invloeden, die den aard van het geschrift hebben bepaald. De natuurbeschouwing
van Hirschfeld is geheel die van Albrecht von Haller, en staat dientengevolge ook
weer dicht bij die van Thomson en de Engelsche leerdichters. Had Hirschfeld niet
het proza-vertoog als vorm verkozen, doch de poëzie, dan zou er een dichtwerk
ontstaan zijn in den geest van de ‘mahlerische Dichtung’. Vandaar dat Hirschfeld
als aestheticus het dichtst bij Breitinger staat, vandaar dat Post spreken kon van
‘afmalen’ en ‘schilderen’. Zoo komt Hirschfeld in twee opzichten in het zog van Haller
terecht, èn als natuurschilder èn als moralist. De natuur van Hirschfeld is die van
Haller's gedicht ‘Die Alpen’: eene ware schildering van de Zwitsersche natuur met
velerlei trekken van het ‘wonderbare’. Evenzoo is de moraal, door de natuur gewekt,
dezelfde als die van Haller's gedichten ‘Gedanken über Vernunft, Aberglauben und
Unglauben’, ‘Die Falschheit menschlicher Tugenden’, ‘Die verdorbenen Sitten’,
‘Über den Ursprung des Übels’. De natuurbeschouwing zoowel als de zedelijke
bespiegeling zijn pastoraal, doch Zwitsersch-pastoraal, indien ik het zoo noemen
mag tegenover de antiek-pastorale richting. Het pastorale ideaal is hier niet langer
een beeld der fantazie, doch iets werkelijks, dat met een gepast realisme wordt
weergegeven. Zoo ontstond immers juist het pastoraal realisme bij die dichters en
schrijvers, welke het gelukkig Zwitserland der werkelijkheid in de plaats stelden van
het idyllisch Arcadië der Ouden. Het best komt deze karaktertrek van ‘Das Landleben’
uit, als we even dien anderen Zwitser, die zich geheel in dienst van Theocritus en
Vergilius stelt, ter vergelijking erbij halen: Gessner. Bij Gessner wordt de natuur niet
naar het leven geschilderd, doch zij is stereotyp-bucolisch, getuige de Faunen, die
erin optreden. Bovendien dient bij hem de natuur alleen ter omlijsting van bucolische
gedachten en gevoelens; zij is in de Idyllen nergens aanwezig om haars zelfs wil,
en de gevoelens en gedachten gaan dan ook niet over haar wezen en komen
evenmin daaruit voort, doch zijn al even stereotyp-bucolisch. Dientengevolge
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce