
50
1514 Hástelike si dánen scìet
2322 Hástelike si wéderkèert
2379 Hástelike si doe ópscòet
2762 Hástelijc hijt biden bréidel nàm
732 Táchterst hi sinen scácht gegrèep
1136 Wélna hi van tórne splèet
1830 Sére si te gáder quàmen.
Twijfelgeval:
1432 Ménechfout si hare opt bédde kèert
Menechfóut si hare opt bédde kèert.
Al deze verzen missen den rhythmischen voorslag, maar alle hebben een
omvangrijke syntactische en rhythmisch zware scheiding tusschen S. en V. Het is
wel eigenaardig, dat het in epische poëzie zoo geliefde den zin inleidende ‘doe’ (of
‘dus’) in deze constructies met achteraan geplaatst V. niet voorkomt als aanloop
1)
.
Dat ook de verzen met adverbialen aanloop streven naar een rhythm. voorslag,
die tevens den syntactischen aanloop vergroot, blijkt uit:
462 Wel dápperlike hine áne scòet
993 Wel vóllec hine áfdède
2566 Mettíen hi sijn schéren hìlt
4672 Wel sáen hi den cóninc sách
Het rhythme is weer van den vorm . De voorslag bestaat, althans in 462,
2566 en 4672, uit een syntactisch ontbeerlijk woord.
De slotsom der verschijnselen van al deze groepen is:
1
o
. Bij de zinnen van het synt. schema ...S.... V. streeft de dichter naar een
syntactisch omvangrijken aanloop, met blijkbare voorliefde voor een rhythmischen
voorslag. De aanloop bereikt zijn rhythmisch hoogtepunt in een zeer zware heffing,
1) ‘Doe si jegen hem op scoet’ komt alleen voor wanneer ‘doe’ conjunctie is.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce