31
stukken, zoo tegen als voor de Geuzen, zijn in Van Vloten's bundel meer te vinden;
zoo een ‘Geuzen-echo’ (I 273-4), die inderdaad aan Vondel's ‘Gesprek’ zou kunnen
doen denken, indien wij niet wisten dat deze ‘echo's’ langen tijd een literaire mode
geweest zijn en dat V. dit vers rechtstreeks naar een Latijnsch voorbeeld gedicht
heeft
1)
; verder b.v. Alva's Boetpsalmen (I 394-5, II 17, 19), Alva's Pater noster (I
395-7), (Der) Geuzen Hellevaart (II 228), Der Geuzen Afkomst (II 230), Geuzen
Fury (II 241), Boeren-Litany (II 395). Dat Vondel deze of dergelijke stukken nog
gekend zou hebben schijnt mij onaannemelijk: het zijn zestiendeeuwsche, meest
Vlaamsche en Brabantsche liederen die, toen hij zijn ‘Geusevesper’ schreef, in het
Protestantsche Amsterdam wel niet meer bekend geweest zullen zijn. Zijn vers heeft
trouwens geenerlei gemeenschap of gelijkenis met deze macaronische parodieën.
Het Geuzenliedboek daarentegen kan en zal hij wel gekend hebben; maar ook een
doorbladeren van Van Lummel's uitgave daarvan heeft mij niets opgeleverd, dat
Vondel's titel nader verklaart.
Een gissing ten slotte, dat
geuzenvesper
zou beteekenen: een vesper zooals zij
onder Geuzen gezongen wordt, d.i. een onechte vesper, een parodie of caricatuur
er van - in den trant b.v. der zgn. ‘wilde vespers’
2)
- is aanstonds te verwerpen; zij
zou niets verklaren en ons even wijs laten.
Ik eindig derhalve met een: non liquet. Mag ik mij vleien in 't bovenstaande eenig
licht op de twee titels van V.'s beroemd gedicht geworpen te hebben, het volle licht
moge hierover nog eens, door eens anders gelukkigen vond ofinval, schijnen
3)
.
Utrecht, Mei 1914.
J.W. MULLER.
1) Zie Penon, a.w. 7.
2) Zie Kalff, Letterk. III 158; voorts Tijdschr. XVIII 202-209 en het daar aangehaalde, inzonderheid
Gittee's artikel in Volkskunde I 241-257.
3) Noch de in Van Lennep's Vondel II, Nalezing 24 afgedrukte verzen tegen en vóór V.'s vers,
noch het in Unger's ed. 1618-1620, blz. 355 als bijlage afgedrukte ‘Antwoord op het laster'lijck
Geuse vesper etc.’ (een terugslag op V.'s vers) baat iets ter opheldering.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce