230
schijnt mij al zeer problematisch.] Ook de vormen van
klis
wijzen op
t
naast
þ
(
þ
)
(hierbij ook ags.
aetclíðan
‘adherere’). Dit laat zich moeilijk anders verklaren dan
door vermenging van oorspr. verschillende wortels in beide gevallen. Vgl. ook het
volg. art.
Nwfri. KLâDDERJE, KLATTERJE, KLâDSJE ‘klauteren, klimmen’ (met nas.
klanterje
‘klauteren’, door een of andere analogiewerking?) behooren bij hd.
klettern
, en dus
tot de boven besproken familie. Vgl. nog ndd.
klâtrn
‘klauteren’.
KLAPPEN. Ozwe.
klaeppa
‘beiern’. Vgl. ook de
i
-vormen NED
clip
2
en
clip
3
, alsmede
Wangeroog
klip
‘knippen’ (met een schaar). Helgoland
klep
‘snijden, scheren’,
Outzen
kleppe
(en
klappe
) ‘id.’ De beide wortels zijn niet overal te scheiden.
KLAUTEREN. Bij de hiermee samenhangende vormen Saterland
klauerje
‘klimmen’
(het ptc.
klauerd
dient tevens bij
klî
û
e
‘klimmen, beklimmen’; hierop bouwe men
geen etymologie, vgl. ben.
kleven
).
KLAUW. Owfri.
clêwe
,
clâwa
leven beide voort in het nwfri.:
klei
, soms
klaei
‘runder
of schapenhoef’ tegenover
klau
‘klauw van een roofdier of - vogel’; overdr. (triv.)
‘hand’. Wangeroog
kl
e
ô
m. ‘het uitwendig deel van den voet eener koe’.
Klauw
‘gespleten hoef’ in 't Westerkwartier. Gezien het algemeen ndl.
mond- en klauwzeer
behoeft het toeschrijven van klauwen aan de koe niet de verbazing op te wekken
die het wel gedaan heeft op de bekende owfri. plaats (z. b.v. Ts. 11, 310).
KLEVEN. Zooals het nwfri.
libje
‘leven’ heeft, met de gemin. welke aan een
ja
-verbum in vele vormen toekwam, zoo heeft het voor ‘kleven’
klibje
en vd.
klibberje
naast
kleve
en
kleevje.
Met
kleve
is gelijk te stellen saterl.
klî
û
e
‘klettern, erklimmen’,
vw.
klí
n
erje
‘klettern’ (vgl.
bî
û
je
‘beven’), nwfri.
kliuwe
,
kljouwe
st. ‘klimmen’ - wat de
verbinding van
klimmen
met
kleven
en
beklijven
semantisch steunt. In Wangeroogsch
klîvî
‘kleven; besmettelijk zijn’ zullen wel
kleven
en
klijven
zijn samengevallen; vgl.
stad-gron.
beklievelk
‘besmettelijk’. Bij nwfri.
klibje
kan behooren
kliber
,
klibbe
(
r
)
‘hoop, menigte (menschen)’, ‘blok-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce