61
zou kunnen aannemen; maar ook in die gevallen blijft het verbum finitum onbetoond
en heeft het rijmwoord een heffing:
1116 { Hine was nóit te gemáke bát
{ Hine was noit te gemáke bát
1426 Sine werdes quíte in ál haer léven
1703 { Hine was noít eér so blíde
{ Hine was noit eér so blíde
2816 { Hine maecte geén groét gedálsch
{ Hine maecte geen groét gedálsch.
Neiging om het verbum finitum te lezen met rhythm. zware heffing, heeft men alleen
in:
374 Hine groéten niet een twínt.
Het is van gewicht, aan te toonen, dat ook andere zinnen met ‘ne’ als tusschenstuk
en pronominaal subject een voorkeur voor dit eigenaardige rhythme hebben:
1. zinnen van het schema S. ne V.... met den omvang van een half vers vormen
met de andere vershelft den zelfden
vers
vorm:
311
Hine voer níet sére
(waer den télt)/ Quam hi gereden
1612
Hine hadde een lét niet
(en swoer hem sére)/
2184
Sine es níet
(daer si was te vóren)/
2632
Hine sprac wórd
(no en hiesch dwáen)/
3022
Hine waent níet
(dat men mocht scóuwen)/
2. de zinnen van den omvang van twee verzen:
3456
Hine gecreech nóit ére
/ Op gene wile so grote noot
4927 Die rike coninc Galarant/
Hine wilde rídder no seriánt.
3. ook de zinnen met samengesteld praedicaat:
S.... V.... 37 gev. ‘ne’ 31 grooter tusschenstuk 6
Nom. S. 6
Pron. S. 18
1 vs. 24‘ne’ 31
Nom. S. -Pron. S. 42 vz. 4
Nom. S. -Pron. S. 3½ vs. 3
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce