11
FLESCH. Hier is de
e
niet, zooals in
esch
en
esp
, tevens hd. Wellicht
e
en
a
beide =
rom.
a
, waarbij de
e
te beoordeelen is als in
ketsen
naast (
kaatsen
en) mnd. md.
katzen
; vgl. ook ons
bende
; het van het ndl. afwijkend timbre der
a
zal wel reeds in
de vóórfransche periode hebben bestaan. Met os.
gles
, dat zooveel beperkter
verbreiding heeft, is
flesch
niet op één lijn te stellen; z. ben.
glas. Gres
is evenmin
te vergelijken; z.
gras
ben.
FLIKFLOOIEN wordt verklaard uit dial.
ô
<
â
, met uit het fri. ontleende
â
<
ai.
Maar
terwijl Noordhorn enz.
floaien
‘liefkoozen, vleiend spreken’ ongetwijfeld fri. is, evenals
moat
‘moot’, zou een zoo ontstaan gron.
flooien
, dat Franck-Van Wijk opgeeft,
onbegrijpelijk zijn: er is geen grond voor den overgang van
o
a
of (wegens de nas.)
a
o
in
ô
(evenals gron.
toon
, Steenwijk id., niet verklaarbaar is uit fri.
tân
). Molema
heeft dan ook geen
flooien
, maar
flaaien
,
floien
; met
oi
schrijft hij verder (
an
)
boien
‘(aankleeden’,
roien
‘roeien’, m.a.w. in
oi
is
o
onvolk.; ik vraag mij echter af of hij
niet ons westelijk
floaien
verkeerd verstaan heeft, de diphthong nu eens als
oi
opvattend (waaraan zij, als men de meerdere lengte niet opmerkt, bijna gelijk is),
dan weer als
aai
(b.v. als iemand uit de buurt van Visvliet haar als
ā
o
uitsprak, als
hoedanig men vroeger ook ndl.
aa
oplas). -
Flikflooien
in het Stad-gron. is wellicht
uit het ndl., evenals het nwfri. ww. (Ts. 29, 87 noot), doch beide is onzeker; z. ben.
Het eerste lid kan de stam zijn van het ben. onder
flikkeren
genoemde
flikken
‘een
klap geven’; men denke aan op den schouder kloppen en aan tikjes geven aan een
dier dat men streelt; het comp. is van denzelfden aard als in dre. (Eext; z. Bergsma)
flikfleemen
en in
vliemstrieken
(z. bov.
fleemen
). Het tweede lid komt afzonderlijk
voor in het ndl. (reeds mnl.) en in het ndd.: Bremisch-ns. Idiot.
floien
naast
flikf.
;
daarnaast gelijke koppeling in het syn.
floistraken
(
straken
,
strakeln
,
striken
, zelden
strikeln
‘vleien’). Daar deze koppelingen zich toch van één streek uit moeten hebben
verspreid en slechts in één streek beide zijn aan te wijzen, daar verder het Br.-ns.
Id. daarnaast heeft
floi
,
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce