
5
gaan, verzinken, te gronde gaan, ondergedompeld worden’),
oerdoun
,
oerdune
‘overgoten, bedolven, geheel onder water’,
onderdoun
, -
dûn
‘even onder water’,
verouderd
bidûn
‘overdekt met water, ondergedompeld’. Op de grens van Gron.
dûn
‘dronken’. Drentsch, gron. en (sa.) oostfri.
doen
schijnt anders in Gron. juist aan
de fri. grens niet gebruikelijk (evenmin
doenen
‘dronken maken’, met den drank als
subj.); de bet. beveelt echter aan, het voor bewaard, resp. ingedrongen, fri.
dûn
te
houden; vgl. ook Wangeroogsch
dûn
‘dronken’, dat evenwel zeer goed uit het sa.
oostfr. kan zijn.
Doen
meen ik dus te moeten scheiden van gelijkbet. geld.
donne
,
mij bekend uit Nl. Wb.
doen.
Voor de bet. kan men vergelijken
onder water
en
weer
boven water wezen.
DOF, DUF. De verhouding tusschen
doof
en
dóf
is alleen dan te vergelijken met
die tusschen
loof
en
lòf
, als men in beide gevallen Abl. aanneemt; bij zw. vocaaltrap
toch wisselen
ŭ
en ŏ. Dezen heeft inderdaad ozwe.
dovin
,
duvin
‘slap’ (naast
d ver
= oijsl.
daufr
). Maar ook zoo is
duf
opvallend;
ù
is niet te motiveeren door het
overgenomen
kust
, noch door
kus
, dat de voc. van
kussen
heeft aangenomen.
Dof
is veel verder verbreid dan
lof.
Waar men
duf
zegt, is te denken aan invloed van
muf
, misschien ook van
suf
, te meer daar deze woorden dial. ook
móf
en
sóf
luiden.
Zoo zegt men in Noordhorn
móf
en
mùf
, in Sebaldeburen alleen
móf
; in N.
sóf
en
sùf
voor ‘slaperig’ en ‘verstompt van geest’, ook van een lichamelijk gevoel zooals
men b.v. in 't voorjaar kan hebben; naast
dóf
is echter
dùf
verouderd of niet ontstaan;
dit is denkelijk, evenals de (naast de gewone voorkomende) bet. ‘wat vochtig’, te
stellen op rekening van het syn.
slóf
, maar men kan zich ook vergenoegen met te
constateeren dat hier geen analogie-
ù
is aan te wijzen. - Verkorting van
ô
<
au
aan
te nemen, is reeds bij
lòf
ongemotiveerd, maar wordt daar ten minste niet door de
voc. weersproken, want genoemde verkorting levert
ò
blijkens o.a.
kocht
,
gekocht
,
bruiloft
; bij
dóf
, met
ó
, is zoo iets geheel onaannemelijk. Maar in bet. ontmoeten
doof
en
dof
elkander
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce