18
ziekelijk zijn’, ‘kommerlijk leven’,
goarre
‘heerschende ongesteldheid, koorts’. On.
gjǫr
is dus niet verwant.
GORT. Bij het Ts. 28, 230, '1 opgemerkte is nog te voegen Wangeroogsch
grot
n.
zonder metath. en zonder Uml.
GRAS. Mnd. mnl. me.
gres
, ozwe.
graes
, alsmede oijsl.
illgrese
‘onkruid’ en in de
omstreken van Elburg (Onze Volkstaal I)
greze
vr. ‘deel in de gemeenteweide
voldoende voor een rund’, met Abl., evenals (Tiefstufe)
grös
bij Gunnink (vgl. ald.
lös
‘los’);
gors
,
gos
òf hieraan gelijk òf
o
<
a
tusschen gutt. en
r
; min waars.
or
naast
ro
<
ṛ.
GRAVEN. Ofri.
greva
zal wel niet terecht door inwerking van
gref
worden verklaard
- graven heeft slechts bij uitzondering voor een graf plaats -, maar zal te vgl. zijn
met onrw. (zeldz.)
grefa
, ozwe. (dikwijls)
graeva
naast
grava
, ptc.
graevin
naast
gravin
(vgl. oblg.
grebą
enz.). Hierbij
De Grift
voor ‘gegraven, resp. vergraven,
waterloop’, met suffix als
gracht
en als ozwe.
grift
f. ‘graf’. Verder on
grǽfr
‘die
begraven mag worden’ naast
grǿfr
‘id.’ (met oorspr.
ô
als
groeve
); vgl.
kuǽfa: kǿfa
,
kefia
‘verstikken’ e.a.
HAZELAAR. Volgens Noreen, Aschw. Gr. 492,
u
-suffix in runenzweedsch dat. s.
ntr.
hosli
, d.i. naar Berichtigung 504
høsli
< *
hasuli
-, als in lat.
corulus.
Mnl., dial.
nnl., (sa.) ofri.
hasenote
en dgl. naar de kleur van den haas.
HEBBEN. ENZ. Abl. volgens Noreen ozw.
munhaf
, -
hōf
‘redeweise’.
HEETEN. Wangeroogsch
hait
enz. regelmatig; het Nl. Wb. geconstateerd verschil
tusschen nwfri.
hite
en
hjitte
wordt door Fri. Wb. weersproken.
HEFFEN. On.
uphaf
, ozw. abl.
uphōf
‘begin’. Wangeroogsch
hîv
(conj. als
schîn
‘schijnen’) ‘rijzen’ van meel.
HEFTIG. De meening van Paul, dat hd.
heftig
behoort bij
Haft
, stemt overeen met
de chronologie der bet., die natuurlijk ook wordt aanvaard door Kluge en Weigand,
hoewel deze oorspr.
ei
aannemen; vgl. ook de bij W. aangevoerde bet. ‘mit Beschlag
belegt’. Maar de nhd. bet. past opmerkelijk bij de
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce