16
‘glimmen’, Garderen, Kootwijk (Onze Volkstaal I)
glei
‘glad’, nwfri.
glei
‘geil, vettig,
glimmend’ zijn te verklaren uit *
glawi
-, daar een
u
-st. (os.
glau
enz.) dikwijls een
ja
-st. wordt; de
w
syncopeert dan vóór
i. Glei
staat tot Zaansch
glooi
als
ei
(< os.
ewi
) tot
ooi.
Vooral de gelijke bet. der oostfri. woorden met
ei
en met
oi
en den Uml.
daarvan,
eu
, laat aan dezen oorsprong weinig twijfel.
Mnl. (gron.) GOYTEN. Voor
goyten
heeft het Mnl. Wb. slechts uit het Stadb. v. Gron.
(van 1425; ed. Telting): ‘
Van ghoyten na der stad vyande.
Oock verbedet de raed,
dat engheen mensche sal ghoyten of kreyeren na der stad viande, daer de stad in
vrede mede staet’ [, noch en sal hem onere bewisen.]. Het opschrift van III X der
codificatie van 1446 (ed. Pro Exc.) luidt:
Vā goyten
; de tekst is praktisch gelijk aan
den ouderen; dat de opschriften
g.
wel en
kreyeren
niet noemen, wijst op het min
of meer synoniem zijn van beide. In de nieuwe redactie gaan beleedigingen met
woorden vooraf en volgen feitelijkheden, in de oude handelt ook wat volgt over
woorden. De opvatting ‘scheld- of smaadwoorden toeroepen’ - of liever ‘beschimpen’,
vgl. ben. - is dus gewettigd. Maar terwijl ‘
naar
iemand schreeuwen’ zich laat begrijpen
(al zou dit de eenige plaats zijn met
na
bij
craeyeren
), is die bet. der praep. vreemd
bij
ghoyten
indien dit, zooals het Mnl. Wb. aanneemt, gelijkstaat met
guten
; dit toch
beteekent ‘den gek hebben (met)’, en heeft dan ook
met
na zich. Doch ook de zin
eischt een andere opvatting; immers wat beteekent: de vijanden der stad waarmee
de stad in vrede leeft? Zeker is het geen aanduiding die een wetboek voegt. [Een
conjectuur
veede
, reeds te vermetel daar het woord in beide redacties staat, zou
een dwaas toevoegsel en een al te Christelijk wetsartikel leveren, en het eerste
bezwaar niet wegnemen.]
Na
moet hier beteekenen: ‘op de wijs van, als’, Kil. ‘ut’,
en
daer de stad in vrede mede staet
is obj. Voor den pers. als obj. waar men eer
een praep. verwachten zou bij
kreyeren
vgl.
roepen
‘aanroepen’, ‘roepen tot’ (met
de H. Maagd als obj.), met welk woord
k.
dikwijls syn. is. Het voorschrift mag noodig
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce