9
moud
, westgron.
ienmoed.
Het parallelisme van
eigenpessich
en
ênpassich
,
eynpassich
,
einpessich
verdient te meer de aandacht omdat een ander in dezelfde
richting wijst, nl. dat van mnd.
eensleghelink
en
sulfslegelink
,
sulfslegel.
Het eerste
wordt vermeld na twee groote ketels; een
e.
van middelmatige grootte houdt een
emmer water in. De
s.
wordt in één adem genoemd met twee caldaria auricalcea;
volgens Ducange is
caldaria
, -
ium
(eens
caldare
) ‘aenum vas maius ex aere
caldario
seu fusili confectum, in quo aqua igni admovetur’; zonder twijfel zijn dus èn
e.
èn
s.
een soort van ketel, aker of dgl.; aan het parallelisme van
een
- en
sulf
- is derhalve
moeilijk te tornen; z. over genoemde comp. verder Ts. 32, 299. Wie contractie van
êgin
- tot
ên
- niet wil toegeven, zou echter kunnen aannemen dat
een
- voor
eigen
-
was gesubstitueerd; z. t.a. p. 298. - Wat het ald. 296 genoemde
ijnlieks
,
ij
n
ḷk
betreft,
zoo stemt dit overeen met
eindeleke
‘eigenlijk, nauwkeurig genomen’ in de omstreken
van Deventer (Van de Schelde tot de Weichsel I 533), Nederbetuwsch
eindelek
(Onze Volkstaal II 84), en met
eindelijk
‘eigenlijk’ in Limmen, Heiloo, Egmond (ib.
292). Verwarring met
eindelijk
zou èn vreemd zijn èn in 't sa., waar dit woord geen
diphthong heeft, den feitelijken vorm niet opleveren; ik meen dus dat, waar de syllabe
de
voorkomt, deze te beoordeelen is zooals in het oude
rendelijck
‘zindelijk’ < mnl.
renlijc
=
reenlijc
,
reinlijc
, in
zindelijk
e.a., dus als epenthetisch; in Drente
e
(
i
)
nlik
en
e
(
i
)
ndelik.
Tenzij ook in genoemde dialecten contracties voorkomen als het t.a.p.
genoemde
wezḷk
(waarvan mij uit Draaijer niets blijkt), maakt dit genesis uit
ên
-
aannemelijk.
ERF. Het schijnt ten onzent de aandacht weinig te hebben getrokken, dat hierbij
Abl. voorkomt in ozwe.
orf
‘bewegliches Erbe’. Terwijl het nwfri., evenals het gron.
in
arf
, in
erf
het n. als ‘erfdeel’ heeft bewaard, heeft dit ook de bet. ‘nerf van leder’
(en ‘glans van welgedaanheid, van vruchtbaarheid, bij dieren en planten’). Daar ook
het fri. van leer
de nerf
gebruikt, is gelijkbet. n.
erf
een vrb. van ontleening van het
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce