301
over langh, hadde ordre behoordt inghesteldt te werden, maer het is noch beter laet
als nimmermeer’.
Deze gedachte vinden wij grootendeels terug in den
Roskam
, vss. 51-59, waar
Vondel blijkbaar denkt aan de fraude bij de Admiraliteit. Als het land, zegt hij, maar
vol Hoofden was, zou de fiere moed van den Spanjaard hem wel in de schoenen
zinken:
Geen Duynkerck sou de zee met vlooten overheeren.
Maetroos die roovers ras sou aersling klimmen leeren;
En 't laege Waterland doen kijcken door een' koord,
Dien, die nu blindeling ons slingert over boord,
En visschers vangt en spant, verwt zeeluy doods van vreesen:
Soo datter een geschrey van weduwen en weesen
Ten hoogen hemel rijst, wt dorpen en wt steên.
Wat's d'oorsaeck? Vraeghtmen, wat? De gierigheyd alleen,
Die 't algemeen versuymt, en vordert slechs haer eygen.
Maar dit is nog niet genoeg en de gemelde patriotten verbazen zich, dat men tot
nog toe niet gelet heeft ‘op den Persoon van dien mancken, nieuwen Ridder Muys’
1)
,
qui genius est malus nostrorum incommodorum, ende uyt het merch ende substantie
van ons Vaderlant zijn selven zo extraordinaris heeft verrijckt, ende zijn personagie
met zo veel corruptien ende vuyligheden heeft ghespeelt, om zijne duyvelsche
gierigheydt, ambitie, ende begheerlijckheydt te voeden, tot coste van den lande
ende ruyne van veele eerlijcke lieden, die moort ende brandt over hem krijten’.
Hoe hij dat gedaan heeft, is den Staten en den Prins zoogoed als aan de geheele
wereld, bekend, daar hij zoo ‘te recht afgeschildert’ is door ‘J.V. Vondelens, in zijn
onlanghs ghedruckte Dalamedes’ (l. Palamedes):
Verdient hy een brandteecken, die
Tot onses staets verkleenen,
1) Dat is Hugo Muys van Holy, die 28 Aug. 1617 op last van Gustaaf Adolf door diens gezant
geridderd was. Vgl. Baalen,
Beschrijvinghe van Dordrecht
, bl. 1137.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce