303
En eyschtmen meer bescheyds, men vraegh het Huygens soon,
In 't kostelijcke mal: die weet van top tot toon
De pracht en sotte prael tot op een hayr t'ontleden.
Hier schort het. Overdaed stopt d'ooren voor de reden.
Hoewel het den Staten en den Prins voldoende bekend is, willen de schrijvers toch
‘een cleyn weynigh’ verhalen, hoe hij aan zijne rijkdommen gekomen is.
Ten eersten is hij, hoewel zelf lid van de Staten-Generaal, in het geheim
commissaris van den Koning van Zweden geweest, en heeft bewerkt, dat deze een
groot subsidie kreeg. In Venetië zou men dat zeker als
crimen laesae majestatis
beschouwen. Daarom heeft de Koning hem ridder gemaakt. ‘Wat schelmerijen hy
met de Sweetsche coperen heeft aengerecht, is immers al te manifest’. De bewijzen
daarvoor zijn wel te vinden in de papieren van wijlen den Raadsheer Vernus
1)
. Den
vromen ambassadeur Van Dijck heeft hij den voet gelicht en doen vervangen door
zijn neef Rutgertius, op wien hij zich kon verlaten
2)
. Hoeveel pensioen hij van den
genoemden Koning getrokken heeft, weet hij zelf het best.
Hoeveel hij genoten heeft van de subsidiën van den Koning van Bohemen en van
Mansvelt, waarvoor hij zeer geijverd heeft, kan de commissaris Dolbier
3)
wel vertellen.
Hoeveel ‘corruptiën, vuyligheden, giften ende gaven’ hij genoten heeft als lid der
Staten en als Gecommitteerde Raad, kan men begrijpen. Zoo heeft hij ‘mede
ghepractiseert, datmen den Paght vande Wijnen over den Haegh eenighe Jaeren
den Pachter uyt de handt bij continuatie tot seer gheringe prijs heeft ghelaten tot
1) Dezen naam heb ik nergens kunnen vinden. Misschien is het eene drukfout voor ‘Verius’.
Dan zal bedoeld zijn Aelbert de Veer, eerst pensionaris van Amsterdam, daarna van 1611
tot zijn dood in 1620 lid van den Hoogen Raad. Zie over hem Elias,
De Vroedschap van
Amsterdam
, I, 50.
2) Jacob van Dijck was van 10 Juni 1609-14 Mei 1620 Zweedsch ambassadeur te 's Gravenhage
en werd toen opgevolgd door Johan Rutgers Wijnants, die dit bleef tot zijn dood, 26 Oct.
1625.
3) Dezen heb ik niet kunnen vinden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce