206
Het onweer.
Hirschfeld (n
o
. 19) en Post (br. 42) wijden beiden een hoofdstuk aan het onweer,
ofschoon de eerste het overdag, de laatste des nachts laat plaats hebben. Beiden
geraken ook tot dezelfde moraal: een onweer mag ons nooit bevreesd maken, want
God is gerecht. De beschrijving, die te lang is om haar geheel aan te halen, stemt
tot in onderdeelen overeen. Een enkele zin ter illustratie.
Post br. 42. ‘De eene klaterende
donderslag, die een gantsch einde
Hirschfeld n
o
. 19. ‘Auf einmal
scheint sich
das ganze Gewölbe des Himmels zu
voortrolde, en
de lucht scheen te
zerreissen; ein schreckliches Krachen
scheuren
, werd door
eenen brommenden
füllet den weiten Luftraum, die Erde bebt,
en stootenden slag
, uit de andere vlaag
und
alle Echo in den Gebürgen werden
erregt
’.
beantwoord; en
de geheele lucht scheen
een echo
, die de ontzettende klanken
nagalmde’.
De herfst.
Bij Post speelt de herfst een belangrijker rol dan bij Hirschfeld. Reeds werd dit
verklaard als een gevolg van de Zwitsersch-pastorale opvatting van den laatste
tegenover de romantische sentimentaliteit van Post. Vandaar dat Hirschfeld slechts
even over den herfst spreekt (n
o
. 24) en als eenig lichtpunt den wijnoogst vermeldt.
Post behandelt den herfst in br. 41, 45, 47, 49 en laat er zich door verleiden tot de
smelterigste gevoelens; de wijngaard (br. 45) komt daarbij slechts even ter sprake
en dient tot uitgangspunt voor godsdienstige gedachten.
De winter.
Ook hier is Post uitvoeriger. Hirschfeld ziet van den winter slechts het weemoedige
en troostelooze (n
o
. 24), alleen de herinneringen aan en de hoop op beter dagen
kunnen daartegen helpen. Nu blijkt uit de op bl. 186 aangehaalde necrologie, dat
hij ook een werkje ‘Der Winter’ geschreven moet hebben, hetwelk daar om zijne
opvoedende waarde aan de Duitsche jeugd aanbevolen wordt. Ik heb dat boekje
niet kunnen opsporen, maar vermoed, dat hij daar toch wel niet het omgekeerde
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Komentáře k této Příručce